Openen in Map Viewer

Beschrijving kaartlaag

Deze kaartlaag vermeldt voor S3 hoeveel 2030 jaarlijks extra kost ten opzichte van het referentiebeeld in 2030. Deze indicator geeft eigenlijk aan hoeveel het jaarlijks per strategie kost om de CO2-uitstoot tot nul te reduceren. De werkelijke kosten kunnen afwijken. Met behulp van gevoeligheidsanalyses (paragraaf 4.2.5) geven we aan wat de gevolgen zijn voor de (extra) nationale kosten als ontwikkelingen op het gebied van kostenreductie en energiekosten tot 2030 afwijken van de centrale veronderstellingen. De totale extra nationale kosten zijn uit te splitsen in de kosten in de vorm van kapitaalslasten (K10) en in de vorm van variabele kosten (K18).

Gerelateerde kaartlagen

Beschrijving strategie 3

Strategie 3 is een strategie op basis van een warmtenet met lagetemperatuurbron. Deze strategie heeft acht varianten: S3a, S3b, S3c, S3d, S3e, S3f, S3g, S3h..

Variant S3a
Bij variant S3a wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet gevoed met lagetemperatuurwarmtebronnen, bijvoorbeeld restwarmte uit een datacenter. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. De warmte wordt bij woningen en gebouwen geleverd op een temperatuurniveau van 15-30˚C. Binnen het gebouw wordt een combiwarmtepomp geplaatst, die de warmte op individueel gebouwniveau opwaardeert tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.

Variant S3b
Bij variant S3b wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT) warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. De warmte wordt bij woningen en gebouwen geleverd op een temperatuurniveau van 15˚C. Binnen het gebouw wordt een combiwarmtepomp geplaatst, die de warmte op individueel gebouwniveau opwaardeert tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.

Variant S3c
Bij variant S3c wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT) warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 70˚C voordat het aan gebouwen geleverd wordt. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.

Variant S3d
Bij variant S3d wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT) warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 50˚C voordat het aan gebouwen geleverd wordt. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming. Voor warm tapwater wordt een boosterwarmtepomp ingezet om de temperatuur naar een niveau op te waarderen dat geschikt is voor warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.

Variant S3e
Bij variant S3e wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT) warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. Voor regeneratie van het WKO-systeem wordt thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) gebruikt. De warmte wordt bij woningen en gebouwen geleverd op een temperatuurniveau van 15˚C. Binnen het gebouw wordt een combiwarmtepomp geplaatst, die de warmte op individueel gebouwniveau opwaardeert tot 50˚C. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming. Voor warm tapwater wordt een boosterwarmtepomp ingezet om de temperatuur naar een niveau op te waarderen dat geschikt is voor warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.

Variant S3f
Bij variant S3f wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet gevoed met lagetemperatuurwarmtebronnen, bijvoorbeeld restwarmte uit een datacenter. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 70˚C voordat het aan gebouwen geleverd wordt. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.

Variant S3g
Bij variant S3g wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT) warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. De warmte wordt bij woningen en gebouwen geleverd op een temperatuurniveau van 15˚C. Binnen het gebouw wordt een combiwarmtepomp geplaatst, die de warmte op individueel gebouwniveau opwaardeert tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.

Variant S3h
Bij variant S3h wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT) warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 70˚C voordat het aan gebouwen geleverd wordt. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.